De leunstoelfilosoof

Entries from augustus 2008

Kutten

31 augustus, 2008 · Laat een reactie achter

‘Wat is kutten toch lekker,’ zei mijn goede vriend R. onlangs tegen me. Of eigenlijk schreef hij het, want we stonden met elkaar in verbinding via een chatprogramma omdat we samen een bedrijfspresentatie met video en audio moesten maken waarbij rechtstreekse communicatie noodzakelijk was, maar telefoneren zinloos omdat we hooguit om de tien minuten iets te zeggen hadden.

Hij zat op zijn werk en ik thuis – want ik ben eigenlijk vertaler, en dan hoef je niet elke ochtend in stropdasuniform via de file naar een baas. Vertalen kun je gewoon thuis, bijvoorbeeld in een tot kantoor omgedoopt logeerkamertje, zoals ik doe – de ultieme ivoren toren voor mensen die geen zin hebben om zich modieus te kleden, Gilles de la Tourette hebben en te vaak aan hun kont krabben, in hun neus peuteren, boeren, winden laten en vieze liedjes zingen om zich met goed fatsoen acht uur per dag of langer in het openbaar te kunnen vertonen.

‘Heb je het werkwoord niet verkeerd verbogen?’ schreef ik, met zo’n smiley erachter, want ik wist best wat hij bedoelde.

Het laat zich raden hoe de discussie verder verliep, maar hij had een punt. Kutten (en ik zou als kritische lezer niet te zwaar aan dat woord tillen, want het staat gewoon in de Grote Van Dale), zo wordt ons al sinds jaar en dag voorgehouden, is iets wat je eigenlijk niet met goed fatsoen kunt doen – al wordt het door opvoeders meestal anders genoemd. Als je je er te vaak aan bezondigt, word je al snel voor aartsluiaard versleten. Erger nog; je begint vanzelf te denken dat je maar weer eens wat nuttigs moet gaan doen. Dat is op zich geen nieuw idee, want ledigheid is al heel lang des duivels oorkussen; een Calvinistisch bedenksel dat zich in het diepst van mijn ziel heeft vastgezet omdat ik een tijdje zo’n opvoeding heb genoten. Je kunt in zo’n geval rationaliseren wat je wilt, maar wanneer je eenmaal een paar dagen hebt ‘gekut’, krijg je vanzelf het gevoel dat je je leven vergooit.

Kutten in de planning

Kutten in de planning

Neem nu dit moment, vrijdagochtend 11:25. Ik schrijf dit verhaal dat u misschien na een dag van noeste arbeid met een glimlach op uw gezicht in bed ligt te lezen. Ik ben al de hele week aan het kutten. Ik had eigenlijk al aan de volgende klus moeten beginnen – een tijdschrift met lekkere recepten waardoor je tijdens het vertalen vanuit het gutbürgerliche Duits al snel trek krijgt – en dan heb ik ook nog twee thrillers op de plank liggen. Maar nee, ik vond dat ik best wat vrije tijd had verdiend na maandenlang zo ongeveer twentyfour-seven te hebben gewerkt aan een nieuwe vertaling van I, Claudius - een roman uit 1934 van Robert Graves over de eigenaardige levensgeschiedenis van underdog en later keizer Tiberius Claudius Drusus Nero Germanicus enzovoort, enzovoort (want hij wil u niet direct met zijn complete arsenaal van titels vervelen), die ooit, en nog niet eens zo lang geleden, bij vrienden, verwanten en kennissen bekendstond als ‘Claudius de dwaas’, ‘die Claudius’, ‘Claudius de stotteraar’, ‘Clau-Clau-Claudius’ of als het meezat ‘arme oom Claudius.’

Als ik nu terugkijk op de week, voel ik me vooral schuldig. Wat heb ik eigenlijk gedaan? Een lullig jazzdeuntje gemaakt op de computer – want ik ben ook muzikant – maar ik heb de pest aan jazz en het is niet eens af. Het klinkt best grappig, en P., aan wie ik het opstuurde, vond het goed zeg. Ik ben in Den Haag geweest om bij J. foto’s en video’s van een recent optreden te halen en mogelijke verbeteringen aan mijn uit de hand gelopen website te bespreken. Maar de dvd-drive van zijn Macbook was kapot, ik kon niet op zijn netwerk, en de conclusie over de website was dat ik de boel heel eenvoudig zelf kon aanpassen. (Wel lekker gegeten, trouwens: gestoomde vis en groenten met rijst.) Tel daar nog koffie met de buren, boodschappen doen, uitslapen, tv kijken en luisteren naar internetradioshows over de mysteries van de aarde en het universum bij op, en je hebt een schoolvoorbeeld van een perfect nutteloze week.

Zoiets zou heerlijk moeten zijn, maar toch kan ik er niet echt van genieten. Misschien kan ik vandaag en morgen nog iets doen om het tij te keren, maar het zal er wel op neerkomen dat ik pas maandag weer ga werken.

Ik vraag me wel eens af waarom het blijkbaar zo belangrijk is om je hele leven nuttig bezig te zijn. Waarom zo druk doen? Waarom niet lekker de hele dag onder een boom liggen en bier drinken? Maar ja, iemand moet dat bier brouwen en de fles maken om het spul in op te slaan en de weg aanleggen om de vrachtwagen over te laten rijden die het drankje moet vervoeren en ga zo maar door. Je speelt al snel een rol in zo’n verhaal – al was het maar die van stratenmaker.

We zijn gewoon slaven, dacht ik laatst – en ik heb dat de laatste tijd zelfs publiekelijk durven uiten – de meeste mensen zien het alleen niet. We denken wel dat we vrij zijn, maar we hebben nauwelijks meer bewegingsruimte dan ratten in een kooi. Er wordt ongetwijfeld uitgebreid met ons geëxperimenteerd…

Categorieën: Leunstoelfilosofie algemeen
getagged: , , , , , , , , , , , ,

De millimetermaffia

31 augustus, 2008 · Laat een reactie achter

Wie in bus, trein of vliegtuig naar het toilet moet en ook maar enig besef van hygiëne heeft, zit al snel op hete kolen. Soms zelfs letterlijk.

Suizend over de snelweg kan de gemiddelde pendelaar het met wat bilspieroefeningen nog wel even uithouden tot zijn vinexwijk. Maar als u net Schiphol onder u weg heeft zien glijden, lijkt de sprankelend frisse toiletruimte van uw in The Big Apple gereserveerde hotelkamer ineens onbereikbaar.

Langzaam maar zeker begint het onvermijdelijke zich aan de reiziger op te dringen; de druk in de onderbuik nadert die van de atmosfeer in de cabine en dreigt deze te gaan overschrijden. De man neemt een dappere beslissing: hij worstelt zich uit de kleine stoel, schuifelt langs geërgerde hoofden naar het plastic hok dat eufemistisch ‘toilet’ wordt genoemd en sluit aan in de rij. Een voor een komen personen met deels opgeluchte, deels schuldige blikken tevoorschijn om zich snel en zo onopvallend mogelijk uit de voeten te maken.
Dat voorspelt weinig goeds. Zeker als er curry op het menu heeft gestaan.

Eindelijk is de reiziger aan de beurt. Hij is een forse man van bijna twee meter, en hij slaagt er slechts met veel moeite in zich naar binnen te werken. Adem in, omdraaien, deur op slot. Zijn bretels dwingen hem om eerst zijn overhemd uit te trekken. Maar dat is nagenoeg onmogelijk – hij stoot voortdurend zijn handen, vingers, hoofd en ellebogen. Het zweet breekt hem uit.
Dan valt tot overmaat van ramp zijn leesbril, die hij handig op het hoofd draagt, in de pot. Het feit dat de grond vol urine, wc-papiersnippers en ondefinieerbare troep ligt en het hok naar rotte aardappelen stinkt, lijkt even vergeten. Ook tijdens de afrondende werkzaamheden gooien de geringe afmetingen van het minuscule martelkamertje roet in het eten. ‘s Mans achterste is nagenoeg onbereikbaar voor zijn grote handen.

Enkele minuten later perst hij zich badend in het zweet weer naar buiten. De verontschuldigende blik in zijn ogen doet de wachtenden het ergste vrezen.

Nu denkt u misschien – ach, die leunstoelfilosoof heeft boter op zijn hoofd; die is zelf ook niet de magerste. Dat mag dan zo zijn – maar u bent gewaarschuwd: de millimetermaffia rukt op; in nieuwbouwhuizen, in restaurants, in treinen en bussen; overal waar ruimte bespaard kan worden, want ruimte is geld.

Zo bezocht ik onlangs een alleenwonende vriend die een ranzig hok in het oosten des lands voor een keurig appartement in hartje Den Haag had verruild. Lekker ruim, leuke keuken – en een reusachtige natte cel met een uitgestrekte loze ruimte.
Wat was daar de bedoeling van? Een kookeiland neerzetten? Onderverhuren? Een wc was welkom geweest en had voldoende plaats gehad, maar daar had de ongetwijfeld zeer geleerde ontwerper een andere ruimte voor verzonnen – ongeveer ter grootte van een bezemkast. Een vliegtuig-wc in je eigen huis. Je moet er maar opkomen. Of zouden ze het toilet inderdaad per ongeluk in de bezemkast…?

Wie zijn toch die Men in Black die van onze leefomgeving een poppenhuis willen maken; die doen alsof niemand langer is dan 1,75 m, geen hond tijdens een vliegreis meer dan 10 cm beenruimte nodig heeft en een aanrecht hoger dan 90 cm alleen wat voor beroepsbasketballers is? Waarschijnlijk hebben ze dezelfde opleiding genoten als de inkopers van kledingwinkels, waar men mij al sinds mijn puberteit weet te melden: ‘De grote maten zijn er al uit hoor – die vliegen altijd weg.’
En om nog even op die wc terug te komen: welke professoren hebben de sukkels laten afstuderen die vier vierkante meter nutteloze doucheruimte handiger vonden dan een paar decimeter extra bewegingsruimte om in het toilet je achterwerk te kunnen bereiken zonder dat je per ongeluk de wc-bril en je overhemd bevuilt?

Terwijl ik dit alles overweeg onder het genot van een biertje en we op het terras van hotel Schützen – waar je zelfs met gebogen rug niet kunt douchen – op de bestelde rösti wachten, legt het meisje van de bediening ons bestek op tafel. En dan blijkt dat er wel degelijk mensen bestaan die beseffen hoe belangrijk het is dat gebruiksartikelen een zinvol formaat hebben; met de vork en de lepel die hier liggen, kan probleemloos de tuin worden omgespit.

Niet dat ik een tuin heb, maar het zet je toch aan het denken…

Categorieën: Leunstoelfilosofie algemeen
getagged: , , , , , , , ,

Brave New World

31 augustus, 2008 · 1 Reactie

Het ging een tijdlang niet goed met Nederland en de rest van de wereld. Het was een rommeltje. Onder andere als gevolg van de wollige vrijdenkerij uit de jaren zestig liep het leven op onze aardbol uit de hand en werd de samenleving alsmaar onoverzichtelijker. De poppen waren aan het dansen, en er moest worden ingegrepen. Iedereen wil tenslotte prettig leven. Sinds enkele decennia reserveren overheden en instanties dan ook torenhoge budgetten voor projecten die dienen om burgers te corrigeren en te controleren, kortom: netjes in het gareel te krijgen – en te houden. En dat begint al bij u thuis.

Een willekeurig voorbeeld. Jaarlijks lopen honderden Nederlanders brandwonden of erger op als ze, door alcoholhoudende aperitiefjes overmoedig geworden, hun sateetje handmatig omdraaien in plaats van veilig met de tang. Er schijnen zelfs ‘barbielovers’ te zijn die in hun onbesuisdheid de houtskool met spiritus aansteken. Dat kan natuurlijk niet langer, zo heeft men gedacht. Daar moet een indringende campagne op los worden gelaten. En die campagne is er nu. Zoiets kost een paar centen, maar het scheelt ‘s zomers flink wat blaren.

Onze voedselconsumptie wordt door de overheid in steeds strakkere banen geleid zodat we precies datgene binnenkrijgen wat onze regeringen – die op dat gebied veel onderzoek laten verrichten – goed voor ons vinden. Zo kopen multinationals bijvoorbeeld patenten van granen op en worden steeds meer groenten en fruit zonder zaad geteeld zodat consumenten niet meer in de verleiding kunnen komen om zelf gewassen te gaan kweken met allerlei ziekten erin en beestjes erop. Het zal nog wel even duren, maar uiteindelijk eten we straks allemaal gezond, ook de mensen die nu nog dagelijks patat, koek en cola naar binnen werken.

Er zijn natuurlijk veel meer zaken die onveilig, schadelijk of zelfs erger zijn. Het roken hebben we inmiddels goed in de tang; dat mag binnenkort alleen nog in speciaal daartoe aangewezen zones buiten de bebouwde kom. Ook alcohol wordt langzaam maar zeker subtiel in de taboesfeer gedrukt. Daar staat natuurlijk tegenover dat regeringen nieuwe inkomstenbronnen moet zoeken om hun activiteiten te kunnen blijven bekostigen. Rekeningrijden, accijnsverhogingen, de invoering van de euro, slimme belastingen en natuurlijk bezuinigingen, zoals in de gezondheidszorg en het onderwijs, zijn daarvan goede voorbeelden; daarmee worden in een paar rake klappen veel vliegen geslagen.

Het is goed dat tegenwoordig niet alleen overheden, maar ook bedrijven over steeds meer mogelijkheden beschikken om de burger aan te pakken – liefst nog vóórdat hij iets fout doet – dat neemt de politie veel werk uit handen. Neem de grotere supermarkt- en winkelketens. Als aanvulling op de camera’s worden daar woest kijkende reuzen in zwarte kostuums aangesteld die de hele dag als obelixen langs de schappen denderen. Geen puber die nog een Breezer pikt. Dat scheelt.

Een ander voorbeeld: ik stond onlangs op de trein te wachten. Ik had mijn fototoestel bij me en maakte een kiekje van een collega – waarbij uiteraard ook een stukje station werd vastgelegd. Het volgende moment verscheen vanuit het niets een boomlange man die informeerde naar de kwaliteit van de opname. Ik vroeg waarom hij dat wilde weten, waarop hij aangaf dat het verboden is om op spoorwegstations te fotograferen. Dat was nieuw voor mij. Na mijn verzoek om een legitimatiebewijs toonde de man een beduimeld pasje om vervolgens een verhaal over terrorismedreiging te beginnen. Ik schrok. Terrorismedreiging, zo dicht bij huis? Ik heb de gewraakte foto direct gewist – er kon tenslotte iets op staan wat niet voor mijn ogen was bestemd. Een vergelijkbare problematiek betreft het fotograferen van kinderen. Het is goed dat hier steeds meer verzet tegen komt. Hoeveel pedofielen plegen tenslotte geen onzedige handelingen terwijl ze zich verlekkeren aan zogenaamd onschuldige kiekjes van een kleuterklasje op een schoolplein?

Ten slotte wijs ik op het gevaar van een overdaad aan kennis. Er zijn hier op aarde nu eenmaal zaken gaande waarvan de gewone burger beter geen weet kan hebben – ze zouden hem alleen maar in de war brengen. Het is dan ook in ons aller belang dat regeringen bepaalde informatie voor ons afschermen. Dat gebeurt al millennia met groot succes. Recentelijk verschijnen echter steeds meer berichten en zelfs boeken van onverantwoordelijke lieden die hebben gegraven op plaatsen waar ze niet horen te graven. Hierdoor gaat esoterische kennis over bijvoorbeeld onze werkelijke afkomst, het doel van de mens op aarde en de ware toedracht van de elf-septemberaanslag een eigen leven leiden op het internet. Het is maar goed dat er plannen zijn om dit medium gaandeweg moeilijker toegankelijk te maken voor de gewone burger en dat het onderwijs ons na jarenlang aanmodderen nu de juiste minimale basiskennis biedt waarop we allemaal netjes kunnen meedraaien zonder dat we overal lastige vragen bij stellen die weer storende problemen veroorzaken. Maar aangezien we uitgebreid geamuseerd worden met televisie, er nooit een tekort is aan nieuwe producten die we nog moeten aanschaffen en we voortdurend administratieve taken moeten vervullen om volwaardig burger van deze samenleving te kunnen blijven, is er nauwelijks tijd over om op foute gedachten te komen of verkeerde dingen te doen. Een zegen! Veel grote denkers zijn ons dan ook voorgegaan om ons in de gelegenheid te stellen dit wonder der staatswetenschap tot stand te brengen.

Ik volg de hierboven geschetste ontwikkelingen op de voet en heb er goede hoop op dat onze aardbol met behulp van de modernste methoden en technieken een fantastische nieuwe wereld gaat worden. Voordat het zover is, zal er nog heel wat gecontroleerd en gecorrigeerd moeten worden, maar we zijn op de goede weg.

Categorieën: Leunstoelfilosofie politiek
getagged: , , , , , , , , , , , , , , , ,